|
Over mondelinge geschiedenis
Mondelinge getuigenissen als bron voor geschiedschrijving
Vroeger, in onze tijd, toen ik nog … Iedereen kent wel een aantal verhalen uit het recente of minder recente verleden, die hij of zij bij gelegenheid graag eens ten berde brengt. Grootvader kon boeiend vertellen over de mobilisatie en de bevrijding. Moeder vertelt nog wel eens over de oude nonnenschool. Mensen halen herinneringen op over wat ze zelf hebben meegemaakt, of vertellen na wat ze 'van horen zeggen' hebben, vaak vol overtuiging, maar soms ook onzeker, twijfelend over hoe het alweer was. Wat is de waarde van deze mondelinge getuigenissen, wat leren ze ons over het verleden? Van welk nut zijn ze voor de historicus die op zoek is naar een coherente voorstelling van 'de geschiedenis'?
Lange tijd stond geschiedschrijving – bij conventie en per definitie – synoniem voor de studie van geschreven bronnen. Scripta manent: wat ooit neergeschreven was, was authentiek, en de sleutel tot een waarachtige kennis van het verleden. Niet alle geschreven bronnen 'spreken' met een zelfde autoriteit, maar de historische kritiek bood aan professionele historici een methodologisch instrumentarium om de waarheid van de kwakkel of de leugen te onderscheiden. Mondelinge getuigenissen daarentegen, voortkomend uit de individuele of collectieve herinnering van tijdgenoten, werden als onbetrouwbaar aanzien, of beschouwd als behorend tot het terrein van de folklore of de volkskunde. Welke informant spreekt immers de historische waarheid?
Niet toevallig begon vanaf de jaren 1950 de opwaardering van de mondelinge getuigenis als bron voor geschiedschrijving vooral bij historici die zich toelegden op de geschiedenis van schriftloze volkeren in Afrika, Azië en inheems Amerika. Hun inzichten vonden echter snel weerklank in de sociaal-economische historiografie van het Westen. Gaandeweg ontwikkelde de 'mondelinge geschiedenis' zich als een volwaardige subdiscipline binnen de bredere waaier van geschiedwetenschappen. De verdiensten van de 'mondelinge historici' situeren zich vandaag op drie terreinen: ten eerste, op dat van de methodologie – het methodisch verzamelen, verwerken en analyseren van mondelinge bronnen; ten tweede, op het vlak van de historische vraagstelling; en ten derde, met betrekking tot meer fundamentele vragen over wat geschiedschrijving in wezen is en betekent.
Aanvankelijk bestond de voornaamste uitdaging er in aan te tonen dat mondelinge bronnen waardevolle informatie kunnen bevatten over het verleden, wanneer ze op een methodische manier worden gegenereerd. Mondelinge bronnen worden immers door de historicus zelf 'gemaakt', d.i. voor, tijdens en na het 'interview'. Omdat de onderzoeker niet zomaar kan 'bladeren' in het geheugen van een informant, is de voorbereiding van een interview uitermate belangrijk. Raadpleging van andere bronnen en voorbereidende gesprekken zijn noodzakelijk om te komen tot een selectie van informanten en tot een goede lijst met vragen. Deze moeten duidelijk afgelijnd en to the point zijn, maar niet suggestief of bruuskerend. De interviews worden opgenomen op band of minidisk, zodat achteraf een nauwkeurige transcriptie kan gemaakt worden. In deze tekst kunnen tussen vierkante haakjes opmerkingen gevoegd worden over het enthousiasme of de terughoudendheid, de stelligheid of de twijfel waarmee bepaalde informatie mondeling wordt verstrekt.
In sommige gevallen is het aangewezen om het stellen van vragen tot een minimum te beperken om de 'performance' van de informant in een gegeven context niet te verstoren. Een grondige analyse van het mondelinge 'genre' of het 'discours' en van de sociale context van de performance vormt dan de sleutel tot een goede interpretatie van de mondelinge getuigenis. Dit is bijvoorbeeld van groot belang bij de studie van 'orale tradities' in Afrika. Ook bij ons dient rekening gehouden te worden met de performatieve aspecten van orale getuigenissen. Een voorbeeld is de politieke redevoering die vaak doorspekt is met verwijzingen naar 'het verleden'.
De studie van mondelinge getuigenissen laat toe een aantal nieuwe probleemstellingen te beschouwen die voordien ofwel als 'onoplosbaar' werden beschouwd, ofwel gewoon geen aandacht kregen. De historische studie van sociaal-culturele fenomenen als identiteit, etniciteit, klassebewustzijn, e.d.m. berust in belangrijke mate op de methodologie van de mondelinge geschiedenis. Mondelinge bronnen kunnen informatie verschaffen over de ervaringen van mensen die hun verhaal doorgaans niet terugvinden in de officiële of institutionele bronnen. Hoe werden de duizenden Belgische kolonialen onthaald, die in juli 1960 halsoverkop naar België terugkeerden? En hoe werd op de werkvloer het protest tegen de Eenheidswet aangezwengeld, dat in december van hetzelfde jaar leidde tot een algemene staking van arbeiders en ambtenaren? Mondelinge getuigenissen die op een streng methodische manier worden verzameld en verwerkt, kunnen belangrijke informatie in zich dragen, die elders niet of nauwelijks gevonden wordt.
Niettemin blijven we met het probleem van de 'selectiviteit' van het menselijk geheugen als drager van de individuele of collectieve herinnering. Bepaalde feiten die we in geschreven bronnen terugvinden, zullen door bepaalde informanten herinnerd worden, maar andere niet, of ze zullen onvolledig of onjuist aangehaald worden. Het geheugen werkt selectief, en onder invloed van latere gebeurtenissen worden herinneringen zelfs vervormd. Voor sommige historici was dit het argument bij uitstek tegen de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van mondelinge bronnen. Vanuit de vraag hoe die selectiviteit dan precies werkt, kwamen andere wetenschappers echter tot inzichten die van belang werden voor de kritische bronnenstudie in het algemeen – die van geschreven documenten inbegrepen.
Als uitgangspunt geldt hier dat elke representatie van de geschiedenis een selectieve weergave is van feiten en gebeurtenissen uit het verleden. Elk historisch verhaal berust op een aantal keuzes, maar deze zijn niet willekeurig. 'Feiten' en 'gebeurtenissen' worden geregistreerd en als dusdanig gedefinieerd, niet omwille van hun objectieve eigenschappen, maar omwille van hun betekenis in relatie tot de sociaal-culturele leefwereld van de betrokken actoren (Sahlins 1985). De synchronische registratie van betekenisvolle gebeurtenissen, in het geheugen en/of in schriftelijke vorm, is de noodzakelijke voorwaarde voor het spoor dat in de geschiedenis zal blijven bestaan. De gelijktijdige registratie heeft zijn tegenhanger in de diachronische dimensie: ook het herinneren en het herschrijven van historische gebeurtenissen volgt de logica van wat sociaal-culturele betekenis draagt (Hastrup 1992: 1-13). De 'selectiviteit' van het geheugen staat dus in verhouding tot de betekenis die oorspronkelijk aan een gebeurtenis werd toegekend en de mate waarin die gebeurtenis ook later nog als significant beschouwd wordt.
Naast feitelijkheden kunnen mondelinge getuigenissen ons bijgevolg veel leren over de betekenis die door bepaalde groepen van mensen aan bepaalde gebeurtenissen werd toegekend. Deze sociale dimensie van de individuele of collectieve herinnering is dankzij de discipline van de mondelinge geschiedenis een belangrijk element geworden in de hedendaagse historiografie. In die zin wordt de Digitale Verhalenbank een belangrijke bron voor wat leefde en leeft in en om Brugge.
Hein Vanhee
coördinator Digitale Verhalenbank, januari-juni 2003
Geciteerde bronnen:
- Hastrup, Kirsten. Other Histories (London: Routledge, 1992)
- Sahlins, Marshall D. Islands of History (Chicago: University of Chicago press, 1985)
|
|